Als op een vliegveld niets kan vliegen
hangen we op verkeerde stoelen in een
heden zonder schema's (en al op internet
gezien waar we niet zijn en al geleerd
hoe je daar dag moet zeggen)
en alles is belastingvrij en glimmend
en niemand zegt waarom het hier niet
gaat zoals het hier niet gaat en alles is
allang te laat en wij die denken dat wij
dachten dat het klopte toen wij door
ruitenwisserarmen uitgezwaaid
ons huis verlieten dat er is
(in onze voorraadkast zijn alle
houdbaarheidslimieten overschreden)
ons lichaam ruikt onfrisser naar ons lichaam
niets zit meer in de tas om mee te dreigen.
Soms vloekt er een de hemel naar beneden.
En iemand zegt nu jullie tóch hier zijn
met jullie onderwegse eigendommen, zal ik
vertellen wat behouden kan dat overschiet?
En van de vindplaats die nog steeds niet is
gevonden? Nee? Nou. Dan niet.
BELUISTER DIT GEDICHT:
BEHEERSING
Iemand belt aan en noemt zich controleur die kijken komt of alles het nog doet hij vraagt niet of het goed is, want hij draagt een uniform dat meepraat uit de knopen.
Onder de kussens vindt hij losse munten onder de tafel een verborgen kind onder het aanrecht vloeistof die kan doden achter de ramen staat het uitzicht stil.
Hij trekt conclusies volgens een tabel hij kent de codes, doet het punt voor punt hij heeft een fraaie tas van runderleer gel houdt het haar bijeen, de gulp staat open.
BELUISTER DIT GEDICHT:
VOORBEREIDING OP HET EXAMEN
Bekijk de tekening op deze bladzij, zie
zo uiten wij hier schaamte, al zijn er
per provincie wel verschillen.
Oefen ook elke dag vooruitgang:
linkerbeen omhoog, één hinkel
rechterbeen. Buig nu, volg schema A tot C
daarmee toont u uw achting. U hoeft
de namen van de bomen niet te kennen
die weten zelf hun eigen namen niet.
Gebruik de regen als behang van broos
vertrouwen. Zoek wat u kwijt bent daar
waar het niet ligt, misschien vindt u dan
iets wat wij uit vrolijkheid verstoppen om
met moeite weer te laten vinden.
Sla nu de bladzij om. Dit hoofdstuk heet:
Zelf uw verwachting vouwen.
BELUISTER DIT GEDICHT:
EENZAME UITVAART
De man van as zegt: neem mijn urn
bij mijn middel vast, ja zo, verstrooi mij
niet hier op het voorgeschreven gras, op
ander as van vorig jaar. Verstrooi mij als
een kruimelspoor, daar waar men voort-
stapt en iets meent te moeten. Leg mijn
verkleinde brein, mijn reumavoeten
onder de leuning van het viaduct
(bergje van niks, maar wel een bergje)
dan waai ik zelf als storend stof
op snelle auto's ergens heen.
Toch licht. Toch tegenwoordig.
BELUISTER DIT GEDICHT:
VUUR EN WATER
De stoelen pootjebaden binnen, laden vol
levenswandel worden aangevreten, het regent
in het trapgat waar het zulk mooi weer was.
Het ooit gekregen breekbaars barst, de kasten
raken zwaar geblakerd, geen deur past in zijn
post, het handgeschrevene lekt
tot onleesbaar weg. En zie daar komt de
schadespecialist die op zal schrijven wat waar
nog van waarde nu - maar dat onleesbaars
hoe kan men bepalen of het leesbaar was
voor het begon te drijven, laat staan de... eh.
En wat bederven zal zou anders ook.
Maar er is geld voor nieuwe apparaten en
vergeetverf ja. Het plastic tafelkleed, de
rasp, de boeken, scheve nachtlamp, schriften
van school, bijeengebonden brieven
de stoelen met hun pootjes in de lucht
de natte foto's van een feest met vierders
(verworpen tijdgeest klit nog in de haren)
kortom het roerend goed dat zelf niet weg
kon komen kan de container in. En
's morgens vroeg: daar kruipt een kruimelaar
die pakken wil wat hij van waarde acht.
Hij kiest de rol gemeentevuilniszakken.
BELUISTER DIT GEDICHT:
OVERZICHT
Ze wil de zolder in haar hoofd opruimen alles geordend en in dozen, de eerste doos is voor de namen, de blinkende (die springen er zo in), maar ook die onder stof vandaan, iets met een A, een T (de man die altijd chocola meebracht en zij nooit zeggen dat ze die niet lustte en die Hoewashetookalweer die haar toen op de mond wou kussen, huwen zelfs en zij, blozend natuurlijk: nee).
Er is een doos voor dingen die ze door wil geven, een overstroming (heb ik toch verteld?), de onderduikers die toen kwamen om nergens meer te zijn, de eerste keren. Het zonlicht 's middags in haar meisjeskamer uitkijkend op nog onbebouwde velden. Haar reizen raakten in een kluwen (waar dat kasteel, dat vergezicht, die mist, dat koude appelsap en toen ze viel). (Doe maar niet dicht.)
Wat nodeloos bleef hangen kan wel weg. Het haringkaken, zitkuil, mieters zeurende reclame. Het bordje dat ze las als kind, van een likeur (Stichpimpulibockforcelorum) vergeelde liedjes met veel vaderland en vlagvertoon en al haar kromgetrokken stelligheden. Ze strekt haar stramme armen uit, zegt lopen we dan nu een eindje om?
BELUISTER DIT GEDICHT:
OVERKANT
Terwijl het de roeier te binnen schiet hoe het kan (geit mee, dan wolf, geit mee terug, achterlaten kool mee, dan geit weer gaan halen) ziet hij de kool in de geit, de geit in de wolf verdwijnen. Dool wolf, denkt hij, dool en eet. Alleen mijn boot breng ik nog daar naar de overkant die niet meer zo hoeft te heten.
Het water vraagt in het voorbijgaan: wat moet een roeier met oevers? Ik wacht, zegt de roeier op wat er uit kleigrond zal groeien dat ik een verrassende naam geef, ik wacht op een dier dat tevoorschijn zal komen en melk draagt geluid zonder woorden maakt en op mijn schoot blijkt te passen.
BELUISTER DIT GEDICHT:
STAAT IN DE RIJ
Uitzicht op een nek. Denkt: zou die van die nek weten van de twee zwarte puntjes in het vel als achteruitkijkoogjes? Schuift op. Overweegt het lipje goed te leggen dat uit het T-shirt steekt, eu40 us10 ca10. Doet het niet, denkt wel aan de globalisering. De branding, de bergen, koolzaadvelden, modderpaadjes. Ansichtkaarten van landschappen lang onderweg om tien seconden te worden bekeken. Schuift op. Verzint te gaan zingen, een lied uit de vorige eeuw, dat iemand zal meezingen, dat iemand geërgerd zal maken (zoals, net gescheiden, aan de telefoon in de wacht gezet, een schraal 'Cause I'm always, always yours). Schuift op. Zingt niet. Ziet de schoenen van wie straks aan de beurt, denkt aan vazen waarin mensen staan te bloeien, ziet scheve hakken. Schuift op. Er moet maar een mus naar binnen vliegen, zodat iedereen de mus met de ogen zal volgen, verbindende mus in paniek. Staat er hier iemand met wie nog veel mogelijk? Iemand met wijze gedachten die binnenblijven wegens kou? Iemand met overleden omhelzer en niemand voorradig? Schuift op. Die achter glas stelt zijn vraag. Eén enkele reis, alstublieft. Voor vandaag?
BELUISTER DIT GEDICHT:
SNORKELEN
Half in de zee, half in de lucht, gedragen een schoorsteen op en naar beneden kijken vragende vingers van de waterplanten
Kont in de lucht, rug naar de wolken voeten met vinnen, hun gelijke lijken maar hemellichaam blijken in den hoge
voor stille vissen, bezig er te zijn glad rond de graten, ogen altijd open en geen benul van het immense droge. >
BELUISTER DIT GEDICHT:
NAWOORD
Hij had beloofd te komen spoken en hij kwam doorzichtig als verwacht en zonder buik.
Hij liep niet in de weg, geen kijk toch uit geen zou je dat wel doen, hij zag haar aan
en dekte haar gedachten langzaam toe toen ze in bed lag, lispelde nog: leef
het is gedoe, maar geef jezelf je jaren van nergens moe van worden word je moe.
BELUISTER DIT GEDICHT:
De gedichtendagbundel is vanaf Gedichtendag 2012 - 26 januari a.s. - voor €2,50 te koop in de boekhandel. Vanaf dat moment vindt u hier alle gedichten uit de bundel, voorgedragen door Joke van Leeuwen.