VSB

Gedichtendagbundel 2012

Joke van Leeuwen: "Half in de zee"


GROND

Als op een vliegveld niets kan vliegen
hangen we op verkeerde stoelen in een
heden zonder schema's (en al op internet
gezien waar we niet zijn en al geleerd
hoe je daar dag moet zeggen)
en alles is belastingvrij en glimmend
en niemand zegt waarom het hier niet
gaat zoals het hier niet gaat en alles is
allang te laat en wij die denken dat wij
dachten dat het klopte toen wij door
ruitenwisserarmen uitgezwaaid
ons huis verlieten dat er is
(in onze voorraadkast zijn alle
houdbaarheidslimieten overschreden)
ons lichaam ruikt onfrisser naar ons lichaam
niets zit meer in de tas om mee te dreigen.

Soms vloekt er een de hemel naar beneden.
En iemand zegt nu jullie tóch hier zijn
met jullie onderwegse eigendommen, zal ik
vertellen wat behouden kan dat overschiet?
En van de vindplaats die nog steeds niet is
gevonden? Nee? Nou. Dan niet.

BELUISTER DIT GEDICHT:





BEHEERSING

Iemand belt aan en noemt zich controleur
die kijken komt of alles het nog doet
hij vraagt niet of het goed is, want hij draagt
een uniform dat meepraat uit de knopen.

Onder de kussens vindt hij losse munten
onder de tafel een verborgen kind
onder het aanrecht vloeistof die kan doden
achter de ramen staat het uitzicht stil.

Hij trekt conclusies volgens een tabel
hij kent de codes, doet het punt voor punt
hij heeft een fraaie tas van runderleer
gel houdt het haar bijeen, de gulp staat open.

BELUISTER DIT GEDICHT:





VOORBEREIDING OP HET EXAMEN

Bekijk de tekening op deze bladzij, zie
zo uiten wij hier schaamte, al zijn er
per provincie wel verschillen.
Oefen ook elke dag vooruitgang:
linkerbeen omhoog, één hinkel
rechterbeen. Buig nu, volg schema A tot C
daarmee toont u uw achting. U hoeft
de namen van de bomen niet te kennen
die weten zelf hun eigen namen niet.
Gebruik de regen als behang van broos
vertrouwen. Zoek wat u kwijt bent daar
waar het niet ligt, misschien vindt u dan
iets wat wij uit vrolijkheid verstoppen om
met moeite weer te laten vinden.
Sla nu de bladzij om. Dit hoofdstuk heet:
Zelf uw verwachting vouwen.

BELUISTER DIT GEDICHT:





EENZAME UITVAART

De man van as zegt: neem mijn urn
bij mijn middel vast, ja zo, verstrooi mij
niet hier op het voorgeschreven gras, op
ander as van vorig jaar. Verstrooi mij als

een kruimelspoor, daar waar men voort-
stapt en iets meent te moeten. Leg mijn
verkleinde brein, mijn reumavoeten
onder de leuning van het viaduct

(bergje van niks, maar wel een bergje)
dan waai ik zelf als storend stof
op snelle auto's ergens heen.
Toch licht. Toch tegenwoordig.

BELUISTER DIT GEDICHT:





VUUR EN WATER

De stoelen pootjebaden binnen, laden vol
levenswandel worden aangevreten, het regent
in het trapgat waar het zulk mooi weer was.
Het ooit gekregen breekbaars barst, de kasten
raken zwaar geblakerd, geen deur past in zijn
post, het handgeschrevene lekt

tot onleesbaar weg. En zie daar komt de
schadespecialist die op zal schrijven wat waar
nog van waarde nu - maar dat onleesbaars
hoe kan men bepalen of het leesbaar was
voor het begon te drijven, laat staan de... eh.
En wat bederven zal zou anders ook.

Maar er is geld voor nieuwe apparaten en
vergeetverf ja. Het plastic tafelkleed, de
rasp, de boeken, scheve nachtlamp, schriften
van school, bijeengebonden brieven
de stoelen met hun pootjes in de lucht
de natte foto's van een feest met vierders

(verworpen tijdgeest klit nog in de haren)
kortom het roerend goed dat zelf niet weg
kon komen kan de container in. En
's morgens vroeg: daar kruipt een kruimelaar
die pakken wil wat hij van waarde acht.
Hij kiest de rol gemeentevuilniszakken.

BELUISTER DIT GEDICHT:





OVERZICHT

Ze wil de zolder in haar hoofd opruimen
alles geordend en in dozen, de eerste doos
is voor de namen, de blinkende (die
springen er zo in), maar ook die onder
stof vandaan, iets met een A, een T
(de man die altijd chocola meebracht
en zij nooit zeggen dat ze die niet lustte
en die Hoewashetookalweer die haar
toen op de mond wou kussen, huwen
zelfs en zij, blozend natuurlijk: nee).

Er is een doos voor dingen die ze door
wil geven, een overstroming (heb ik toch
verteld?), de onderduikers die toen kwamen
om nergens meer te zijn, de eerste keren.
Het zonlicht 's middags in haar meisjeskamer
uitkijkend op nog onbebouwde velden.
Haar reizen raakten in een kluwen
(waar dat kasteel, dat vergezicht, die
mist, dat koude appelsap en toen ze viel).
(Doe maar niet dicht.)

Wat nodeloos bleef hangen kan wel weg.
Het haringkaken, zitkuil, mieters
zeurende reclame. Het bordje dat ze
las als kind, van een likeur
(Stichpimpulibockforcelorum)
vergeelde liedjes met veel vaderland
en vlagvertoon en al haar
kromgetrokken stelligheden.
Ze strekt haar stramme armen uit, zegt
lopen we dan nu een eindje om?

BELUISTER DIT GEDICHT:





OVERKANT

Terwijl het de roeier te binnen schiet hoe het kan
(geit mee, dan wolf, geit mee terug, achterlaten
kool mee, dan geit weer gaan halen) ziet hij
de kool in de geit, de geit in de wolf verdwijnen.
Dool wolf, denkt hij, dool en eet. Alleen mijn boot
breng ik nog daar naar de overkant
die niet meer zo hoeft te heten.

Het water vraagt in het voorbijgaan: wat moet
een roeier met oevers? Ik wacht, zegt de roeier
op wat er uit kleigrond zal groeien dat ik een
verrassende naam geef, ik wacht op een dier
dat tevoorschijn zal komen en melk draagt
geluid zonder woorden maakt en
op mijn schoot blijkt te passen.

BELUISTER DIT GEDICHT:





STAAT IN DE RIJ

Uitzicht op een nek. Denkt: zou die van die nek
weten van de twee zwarte puntjes in het vel
als achteruitkijkoogjes? Schuift op. Overweegt
het lipje goed te leggen dat uit het T-shirt
steekt, eu40 us10 ca10. Doet het niet,
denkt wel aan de globalisering. De branding,
de bergen, koolzaadvelden, modderpaadjes.
Ansichtkaarten van landschappen lang
onderweg om tien seconden te worden bekeken.
Schuift op. Verzint te gaan zingen, een lied uit de
vorige eeuw, dat iemand zal meezingen, dat
iemand geërgerd zal maken (zoals, net
gescheiden, aan de telefoon in de wacht gezet,
een schraal 'Cause I'm always, always yours).
Schuift op. Zingt niet. Ziet de schoenen van
wie straks aan de beurt, denkt aan vazen
waarin mensen staan te bloeien, ziet
scheve hakken. Schuift op. Er moet maar
een mus naar binnen vliegen, zodat iedereen
de mus met de ogen zal volgen, verbindende mus
in paniek. Staat er hier iemand met wie nog
veel mogelijk? Iemand met wijze gedachten die
binnenblijven wegens kou? Iemand met
overleden omhelzer en niemand voorradig?
Schuift op. Die achter glas stelt zijn vraag.
Eén enkele reis, alstublieft.
Voor vandaag?


BELUISTER DIT GEDICHT:





SNORKELEN

Half in de zee, half in de lucht, gedragen
een schoorsteen op en naar beneden kijken
vragende vingers van de waterplanten

Kont in de lucht, rug naar de wolken
voeten met vinnen, hun gelijke lijken
maar hemellichaam blijken in den hoge

voor stille vissen, bezig er te zijn
glad rond de graten, ogen altijd open
en geen benul van het immense droge.
>
BELUISTER DIT GEDICHT:





NAWOORD

Hij had beloofd te komen spoken en hij kwam
doorzichtig als verwacht en zonder buik.

Hij liep niet in de weg, geen kijk toch uit
geen zou je dat wel doen, hij zag haar aan

en dekte haar gedachten langzaam toe
toen ze in bed lag, lispelde nog: leef

het is gedoe, maar geef jezelf je jaren
van nergens moe van worden word je moe.

BELUISTER DIT GEDICHT:






De gedichtendagbundel is vanaf Gedichtendag 2012 - 26 januari a.s. - voor €2,50 te koop in de boekhandel. Vanaf dat moment vindt u hier alle gedichten uit de bundel, voorgedragen door Joke van Leeuwen.

TERUG

 

Half in de zee

Foto © Michiel Hendrikx

   


 

 

 


 
   
Gedichtendag wordt gecoördineerd door Poetry International (Nederland) en Stichting Lezen (Vlaanderen) en mede mogelijk gemaakt door de VSBfonds.